Brand en een instorting
In de nacht van 1 op 2 mei van het jaar 1671 slaat de bliksem in de toren. Door de brand die volgt, wordt de bovenbouw van de toren verwoest. Hoe groot de schade precies is geweest, is niet meer te achterhalen. In elk geval gaan het klokkenspel, het uurwerk en een groot gedeelte van het dak van de kerk verloren. Waarschijnlijk is ook een aantal gewelven ingestort.
Het orgel wordt onherstelbaar beschadigd, net als de preekstoel en de gestoelten voor de notabelen.
Het herstel van de toren en het kerkdak gebeurt onder leiding van architect Abraham de Kock uit Zwolle. Al tijdens de bouw worden vraagtekens gezet bij zijn deskundigheid.
Niet ten onrechte, blijkt later. Eind januari 1710 geeft het stadsbestuur opdracht om met spoed de noorderpilaar onder het orgel te repareren. Begin april wordt nogmaals gemaand dat er iets aan de pijler moet gebeuren. Op 10 april hoeft het niet meer: de toren stort in. De kerk raakt zwaar beschadigd. Twee jaar lang kan er niet gekerkt worden.
In 1718 komt de nieuwe toren gereed, met een bovenstuk naar een ontwerp van de stadsbouwmeester Allert Meijer.